DEBUTEREN #3: Laatste loodjes en boekpresentatie

Deze blog verscheen eerder op Readalicious.

 De maanden voor mijn debuut waren erg leuk. Het meeste werk was gedaan. Het was een tijd waarin ik wist dat er straks vanalles kón gebeuren. Ik ga je proberen te vertellen hoe het er allemaal uitzag totaan mijn debuut bij Uitgeverij Ambo|Anthos.

De laatste feedbackrondes

In de laatste rondes maakte ik niets nieuws. De feedbackrondes zoemen in van grote feedback, tot steeds kleiner. Zo gaf een persklaarmaker feedback op mijn werk. De aanwijzingen waren divers, met suggesties van hoe dingen anders konden en verbeteringen die sowieso nodig waren. Ik voegde ook één nieuwe alinea toe ter verduidelijking van de motivatie van een personage, maar verder werd er niets nieuws geschreven (behalve ideeën voor een tweede boek). Daarna kwam de correctieronde, een strenge ronde waarin werd gekeken naar hoe alles op de pagina stond (afbrekingen, pagina-verdelingen en in mijn geval de opmaak van post-its), waarin de laatste spelfouten eruit werden gehaald en nog een paar suggesties werden gedaan.

En toen was het ineens af en kon ik niet meer terug. Na meerdere nachtmerries over spelfouten was het tijd om het te laten gaan. Het boek was niet meer van mij. Het was nu ook van de uitgeverij, van de drukker en toen al bijna van de lezer.

Boekpresentatie

Veel mensen in mijn omgeving dachten dat een boekpresentatie een chique feestje was met champagne en galajurken. In de praktijk valt dat gelukkig reuze mee. Het is meer een soort van verjaardagsfeestje met familie en vrienden en dat in een boekhandel. Mijn boekpresentatie was extra leuk omdat je origami kon vouwen en sushi kon eten. Het was uiteindelijk onwijs druk en… heel Readalicious was er ook bij (zie foto)!

De boekpresentatie vond plaats bij Van Gennep. De boekhandel in Rotterdam versierden we van top tot teen met kraanvogels. Verder sprak mijn redacteur mooie woorden, over hoe ik een paar jaar geleden werd ‘geacquireerd’ bij een bushalte na de Hebban Awards, en dat redacteuren normaal gesproken niet per se acquireren bij bushaltes. Dat ik een korte e-mail had gestuurd met mijn voorstel en in de bijlage een volledig eerste versie en hoe dat uiteindelijk was veranderd in iets heel moois.

Daarna vertelde ik zelf over hoe ik jarenlang had vastgehouden aan kleine dingen. Toen ik veertien was schreef een docent ‘je bent een schrijver!’ op een opstel, en het zijn dat soort kleine dingen die me hielpen door te blijven gaan. De docent Nederlands nodigde ik ook uit voor de boekpresentatie, net als alle vrienden, collega’s, karateka, schrijfninja’s die me hadden gesteund. Ik las daarna een mooi hoofdstuk voor en heb daarna zo’n vijftig boeken gesigneerd.

De eerste reacties: zoals ik al zei, is het boek nu niet meer alleen van mij. Er ontstond een hashtag #niemandzoalshij. Bloggers roemde de cover en de eerste recensies stroomden al binnen na een dag, allemaal superpositief. Ik ben erg dankbaar en blij dat mijn werk al met zoveel plezier wordt gelezen.

Veronique’s boekenhoekje:

Het verhaal is klein, maar tegelijkertijd zo groot. Soms had ik tranen in mijn ogen.

Hebban recensent:

Een mooi boek over doorzettingsvermogen, liefde, hoop, verdriet en rouwverwerking. Het is geen boek wat je even leest. Bij sommige gebeurtenissen leg je het weg om het allemaal even te overdenken. Dat doen goede boeken met je. Boek is absoluut een aanrader.

Alexs books and socks:

Enorm mooi geschreven, enorm eerlijk maar respectvol opgetekend wat ALS met een lichaam en mens doet. Dit is een sterk debuut, een boek dat ik zeker zal herlezen net zoals ik toekomstig werk van deze auteur met evenveel enthousiasme zal lezen. 4/5 voor deze ‘niemand zoals hij’.

Als je ‘m ook gaat lezen, veel leesplezier!

Hoe met het leven om te gaan

(Turing) Gedichtenwedstrijd top-1000

koop een kat
neem dagelijks maximaal acht paracetamol
drink op zaterdag
en soms op vrijdag en donderdag

lees nooit boeken die anderen aanraden
ga niet mee in adviezen van mannen die je niet kent en
als dat toch gebeurt, roep dan ‘ik ken u niet’
en ren naar de dichtstbijzijnde volwassene

slik maximaal eens per maand xtc
drink genoeg water
of neem eens vijf minuten rust
geloof in mindfulness maar doe er niks mee

heb seks met een oudere man
als dat niet lukt probeer een jongere
hijg daarna uit 
huil even als dat moet

zet een lachende foto van jezelf online
kijk hoe leuk mensen dat vinden
maar weet dat jij het het leukst vond 
toen je nog lachte

lees NU.nl zodat je iets van de wereld af lijkt te weten
en sluit het scherm zonder problemen
als je toch online bent koop dan iets
maar let op want bijwerkingen staan nooit bij advertenties

zoek naar vliegtickets en ga op vakantie 
waar je doet alsof alles zo beter is
maar ontken
ontken dat de waterdruk van de douche nergens zo goed is als thuis

eet bij thuiskomst een zak chips leeg en ga dan sporten
doe dat volgende week andersom
Stop hulpwerkwoorden met algoritmes in kruiswoordpuzzels
en vergeet de oplossingen

en neem een baan
neem in godsnaam een baan
zodat je je zorgen kan maken 
om andermans problemen

‘Niemand zoals hij’ ligt in de winkels!

‘Niemand zoals hij’ is de debuutroman van Lucia van den Brink. Als Renke haar baan verliest, reist ze opa achterna in een ultieme poging hem nog te leren kennen. Haar opa is naar Japan vertrokken nadat hij gediagnosticeerd was met de spierziekte ALS. Waar Renke alle tijd van de wereld heeft, weet hij dat zijn dagen geteld zijn.

Merel in de ruimte

(zoals gepubliceerd in Tijdschrift Ei)

‘Jerome, ik heb je hulp nodig,’ zei Merel toen ik opnam. Ik kende haar al zo’n tien jaar, maar bellen deed ze me nooit. Er klonk een nood in haar stem die ik niet begreep. ‘Ik kan niet naar het station,’ zei ze.

‘Waarom niet?’

‘Ze… Schimmen.’ Ze was moeilijk verstaanbaar. ‘Kun je naar The Irish Pub komen? Die in de straat ervoor?’ Ze hing op zonder op mijn antwoord te wachten.

Ik deed vlug wat gel in mijn haar en stapte op de fiets. Misschien was ze beroofd? Voelde ze zich niet lekker? Wilde ze me wat vertellen?

Ik stapte de pub binnen. Merel zat aan de korte kant van de L-vormige bar. Ze leek kleiner dan in mijn herinnering. Haar donkere haar had ze in een knotje gestopt en ze droeg een geruite blouse waarvan ze het bovenste knoopje had opengelaten. Ik gaf haar drie zoenen en ging naast haar zitten. Het was zo krap dat onze schouders elkaar even raakten. Met een schokkerige beweging probeerde Merel de afstand tussen ons te herstellen. Haar linkerschouder vond steun tegen de muur.

‘Je was de enige die ik hier kende, Jerome. Bedankt dat je wilde komen.’

Ik glimlachte. Ik was Merel een paar jaar uit het oog verloren. Er waren perioden geweest dat we veel deelden. Dat ik alles wist van haar en zij van mij. Dezelfde studie, dezelfde bus naar huis en een baan bij hetzelfde bedrijf.

Van alles gedeeld, maar nooit een bed.

Tegenwoordig deelden we alleen nog foto’s met elkaar, en al onze vrienden, via Instagram.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik.

‘Ik moet weten of…’ Haar ogen schoten heen en weer alsof ze in de lucht naar iets zocht, de juiste woorden, de volgorde van haar verhaal, zoiets.

‘Neem je tijd,’ zei ik.

‘Misschien is dat precies wat ik nodig heb.’ Merel stak haar hand omhoog en bestelde twee biertjes.

‘Wist je dat ik altijd tegen je heb opgekeken?’ hoorde ik mezelf bekennen. Ik wilde haar groter maken. ‘Je hebt zoveel bereikt, terwijl ik, gewoon…’

Ze snoof.

‘Nee, echt. Het is zo opvallend, dat het iets wegheeft van geluk.’

‘Ik werk er hard voor, maar ik wil juist meer zijn zoals jij,’ zei ze. ‘Ontspannen. Alsof niets je kan raken.’

Ze nam een slok van haar drankje op een manier die ik bij haar vond passen. Gulzig.

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Als ik aan geluk denk, dan denk ik aan jou. Jij bent de gelukkigste persoon die ik ken. Ik bedoel: jij hebt alles wat ik verwacht had op mijn dertigste te hebben. Je hebt iets gedaan met je studie, een baan als leidinggevende en een koophuis.’

Ze keek alsof ik haar een klap in het gezicht gaf.

‘De mensen die het ongelukkigst zijn, zijn het best in doen alsof ze gelukkig zijn,’ zei ze langzaam.

Daar moest ik even over nadenken. Het paste niet bij het beeld dat ik van haar had. Ik staarde in mijn bierglas. ‘Ben je ongelukkig?’ vroeg ik.

‘Het is inmiddels beter,’ zei ze. ‘Vlak voordat wij elkaar leerden kennen, gebeurden er goede dingen. Ik leerde ruimte in te nemen. Ik begon klein en daagde mezelf uit om onderweg naar college niet opzij te stappen, maar de ruimte tussen de mensen te spotten en er doorheen te manoeuvreren. Op de fiets nam ik vaker voorrang, in een werkgroep stak ik soms mijn hand op. Het deed de markering vervagen.’

Ze leek meer te willen zeggen dan ze vertelde. Of ik begreep haar niet.

‘Iedereen neemt toch een plek in de wereld in,’ zei ik. ‘Jij zeker. Kijk wat je bereikt hebt. Ik liet juist alles aan me voorbijgaan. En nu hebben onze leeftijdsgenoten een carrière en loop ik drie burn-outs achter.’ Ik lachte.

‘Misschien had je dat allemaal niet nodig,’ zei ze. ‘Dat ik alles aangreep, was niet positief. Ik zocht iets om voor te leven. Om die markering van me af te krijgen.’

‘Dat is de tweede keer dat je dat zegt: markering…’

Mijn vinger vond een groef in het hout van de bar. De inkeping voelde gevaarlijk ruw toen ik erover wreef, maar was niet scherp genoeg om me open te halen.

‘Dat is waar ik het met je over wil hebben.’ Haar schouder kwam los van de muur en ze botste tegen me aan. Ditmaal bleef ze plakken als een magneet die naar de juiste kant was gedraaid. Ze voelde aangenaam warm.

‘Heb je ooit iets ongewoons aan me gemerkt?’ vroeg ze.

Ik volgde haar mond terwijl ze sprak. Er vormde steeds een klein luchtgaatje tussen haar lippen, waardoor ik een stukje van haar voortanden kon zien.

‘Ongewoon…’ Het vreemdste dat ik met haar had meegemaakt, moest deze ontmoeting zijn. Of nee, die keer dat ik na een borrel de laatste bus had gemist en in het bed van haar huisgenoot sliep die niet thuis was. Ik kwam haar tegen in de gang en droeg alleen een boxershort. Zij complimenteerde me over mijn gespierde borstkas, prikte er uitdagend in en wenste me lachend welterusten.

Die avond betoverde ze me. Buiten was ze mooi, maar binnen haar muren was ze mooier. Ik had nooit geweten dat muren zo’n effect konden hebben.

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.

‘Ik ben een kind van de schimmen. Zij hebben de markering aan me gegeven. Daarna werd het een oneindige cirkel.’

Om eerlijk te zijn, klonk het alsof ze drugs had gebruikt. Niet dat ik daar tegen was, maar ik wilde het toch zeker weten. Ik keek naar haar kaken. Geen opvallend gedrag daar. Haar pupillen waren ook normaal.

‘Het waren schimmen van mensen,’ zei ze. ‘Schimmen die zich tegoed deden aan mij.’

Omdat ik haar niet begreep, probeerde ik iets aan haar houding af te lezen. Ik zag dat Merel ineengedoken op de barkruk zat. Dat moest de reden zijn dat ze kleiner leek dan ze was.

‘Ik wilde vragen of je aan me kon zien dat…’ Ze slikte. ‘Dat ik vroeger… Nou ja, ik dacht dat de schimmen het recht hadden me zo te behandelen. Daardoor nam ik een bepaalde houding aan. Een houding waarmee ik geen ruimte innam. Kan je je voorstellen hoe dat voelt?’

Ik dacht aan die keer dat ik verstoppertje speelde en dat niemand me vond. ‘Ik denk het wel.’

‘Fijn, Jerome.’ Ze perste haar lippen tot een flauwe glimlach. ‘De schimmen markeerden me als kind. En daarna maakte ik geen schijn van kans in de buitenwereld: de plek waar de echte monsters rondliepen.’

De kleine bar benauwde me plots. Haar verhaal was te groot voor deze oppervlakte. ‘Wat deden de schimmen dan?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Maakt het uit?’

Merel hoefde haar verhaal niet tot in detail kwijt. Zoveel was duidelijk. Ze wilde door naar een punt op de horizon; de reden dat ik hier was. Met mijn vinger wreef ik hard over de groef in het hout.

‘Ze raakten me aan. Ze raakten me kwaad aan. En daarna waren er meerderen.’ Haar staccato-manier van praten sneed door me heen, omdat ik wist dat ze zo sprak om emoties te ontwijken. ‘Verschillende mensen. Los van elkaar, maar net alsof ze het hadden afgesproken. Ze zagen de markering. En vandaag…’ Ze slikte even. ‘Vandaag zag ik ze lopen bij het station. De schimmen.’

‘Je ouders?’

‘De schimmen.’

‘Sorry. Zeiden ze iets?’

‘Ik raakte in paniek en in plaats van de trein naar huis te nemen, belde ik jou. Ik hoopte dat je hier nog zou wonen.’

‘Dus zij hebben ons samengebracht,’ zei ik. Dat wrong een beetje.

Merel staarde naar haar handen. ‘Ik wist niet wat ik moest doen.’

‘God, Merel. Het spijt me van net. Van wat ik zei. Maar al ben je niet de gelukkigste persoon die ik ken, dan ben je wel de sterkste.’

Ze hief haar hoofd. Rechtte haar rug. Het was zo opvallend dat de barman opkeek van zijn afwaswater. Ik zag hem naar het gaatje tussen haar lippen kijken.

‘Toen ik jou eenmaal leerde kennen, was ik een persoon die ruimte innam. Tenminste, dat hoop ik. Dat ik niet meer een kind van de schimmen was. Geen gemarkeerde prooi.’

Ik legde mijn hand op die van haar en kneep er zachtjes in.

‘Heb je het ooit gezien?’ vroeg ze.

‘Wat?’

‘Die markering. Ik moet weten of het ooit weg kan gaan of dat je zoiets voor altijd bij je draagt.’ Ze praatte zo vlug dat ik hoorde dat ze bijna buiten adem raakte.

‘Ik heb het nooit gezien, nee.’ Ik had geen idee hoe hetgeen waarover ze sprak eruit zag. Zou de markering zichtbaar zijn op haar lichaam of was het iets als uitstraling?

Ik hoopte dat ik haar gaf wat ze zocht. Mijn nek voelde zweterig.

De donkere stem van Johnny Cash zong over The ring of fire. Voorin de bar werd geproost door mannen in blauwe overhemden. I went down, down, down and the flames went higher.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Wat zeg je op verhalen waarvan je zou willen dat ze niet bestaan?

We bestelden een tweede biertje. Ons gesprek werd luchtiger. Ze sprak over alledaagse dingen, in plaats van over schimmen en markeringen. Daarbij bewoog ze vrij, praatte met haar handen en wiebelde op haar barkruk.

Om twaalf uur barstte het in de bar in een luid gezang uit. De barman kreeg een slinger om zijn nek en ging op een tafel staan. Na de derde ‘hoera’ riep hij luid dat hij iedereen ging trakteren op een rondje.

Hij keek naar Merel.

Maar Merel keek naar mij.

‘Ik wil niet naar het station,’ zei ze. ‘Kan ik bij jou…’

‘Ik heb een extra matras.’ En ik nam haar mee naar mijn muren. Daar deed ze iets onverwachts. Ze duwde haar lichaam tegen me aan. Eiste aanraking op. Zoende me vol overgave. Ze deed haar kleren uit, hielp me bij die van mij en trok me mee naar mijn bed, waar ze woest met haar armen maaide en zo alle kussens van het bed afduwde, alsof ze in de weg lagen.

Haar gretigheid naar aanraking maakte mij ook hebberig. Ik zette mijn handen in haar billen, kneep er zo hard mogelijk in, en ik wilde haar slaan, mijn hand op haar billen voelen ketsen.

Ze verstijfde.

Ik stopte en keek haar aan; had ik iets verkeerd gedaan?

‘Ik wil alleen goed aangeraakt worden,’ zei ze. ‘Zodat het in balans komt.’

Even was ik bang dat ik het verpest had en begon haar daarom zo lief mogelijk te strelen. Het duurde even, maar ze ontspande beetje bij beetje. Ik kuste haar zachtjes, liet mijn tong over haar lichaam glijden, en hoopte dat dat was wat ze bedoelde. Ze spreidde haar armen en leek te verzinken in haar eigen wereld. Op mijn zachte matras zag ze er gelukkig uit. Ik hield van mooie vrouwen zoals zij; ze zijn een afspiegeling van een ideale wereld. Dankzij haar schoonheid kon ik mezelf voor de gek houden dat de wereld een mooie plek was.

Ze bleef niet slapen, zei ze. Ze zou de nachttrein nemen.

‘En de schimmen dan?’ vroeg ik.

Ze haalde haar schouders op. Blijkbaar was er iets veranderd aan de situatie. Het probleem leek te zijn verdwenen.

‘Zal ik met je meelopen?’

‘Het is goed zo.’

Ik dacht dat ik haar begreep, maar was haar alweer kwijtgeraakt.

Toen ze in de hal haar laarzen aandeed, bedacht ik dat dit het moment was waarop mannen in films iets zeiden. Iets wat de relatie tussen de twee hoofdrolspelers voorgoed zou veranderen. Er schoten honderden opties door mijn hoofd, maar het verhaal werd niet logisch. Ons plot liep op niets uit. We waren niet voor elkaar bestemd. Zij wist wat ze wilde.

Ze knoopte haar omslagjas dicht. Daarmee voegde ze een extra laag tussen haar en mij toe. Haar borst zag nog rood van de inspanning. Van haar blouse had ze nu twee knoopjes opengelaten en net onder de kraag zag ik iets wits. Iets wits dat me eerder niet was opgevallen.

Een litteken – nee, een markering.

Het stak af tegen haar rode huid.

Het was alsof het er altijd al had gezeten.

Toen ik het antwoord op haar vraag had, stapte ze uit mijn muren.

De ruimte in.

Veteran

You are a war zone
windows were broken
doors kicked in
bombs landed

and now
when glass falls
doors slammed shut
firework explodes

You react as if you are at war again and you
barricade the windows
put extra locks on the door
hide in the basement

while you should just
break the glass
slam the the door
have a blast

As published on literaryyard.com

Debuteren #2: van omslag tot brochure

(artikel zoals gepubliceerd op Readalicious.nl) Als debutant kreeg ik de afgelopen maanden voor het eerst met de buitenkant van een boek te maken: de omslag, portretfoto en brochure (Bekijk de brochure van Ambo|Anthos) .

Omslag Niemand zoals hij
Een van de mooiste momenten tot nu toe was toen mijn redacteur de omslag uitgeprint liet zien. Ze vouwde de witranden om een bestaand boek heen, gewoon voor het idee, en toen lag het daar: een boek met mijn naam erop. Het leek zo ver weg van het Google Drive-document waar ik al twee en een halfjaar in aan het typen ben, want dat is zo abstract en dit is zo tastbaar.

Voorafgaand zijn er meerdere opzetten gemaakt door een bureau. Daaruit heeft de uitgeverij de beste vijf gekozen en uit die vijf vonden zowel zij als ik dezelfde omslag eruit springen. De keuze was dus snel gemaakt! Daarna werden er van die ene omslag nog wat varianten gemaakt qua lettertype, en ook daaruit hebben we de beste gekozen. 

Ik ben heel benieuwd wat jullie ervan vinden. Zou jij hem oppakken in de boekhandel? Laat het me weten!

Fotoshoot en gitaarbult
De fotoshoot voor de auteursfoto was nog best spannend. Allereerst; wat doe je aan qua kleding? Ik legde de dag ervoor drie setjes bovenkleding klaar zodat we konden afwisselen. Daarna ruimde ik een kast op en viel er vanaf die kast een gitaar op mijn hoofd, en ik voelde ik direct dat het een flinke bult zou worden…

De foto’s zijn op twee locaties foto’s geschoten, één in het gebouw waar ik woon en één onder een brug dicht bij mijn huis. De lichtinval was op die laatste plek heel mooi. De fotograaf, Ruud Pos, wandelde daar weleens en had de plek onthouden. De gitaarbult op mijn voorhoofd zagen we bij iedere foto terug (‘Hé, daar heb je de gitaar weer’) maar gelukkig zijn de foto’s zo bewerkt dat dat niet meer zichtbaar is.

Brochure
In de brochure komt alles samen. De uitgeverij zet mij als debutant goed in het zonnetje met vier pagina’s! De eerste twee zijn gevuld met een foto en een quote uit mijn boek, de twee pagina’s daarna spelen volledig in op mijn boek. Bekijk de brochure hier.

Volg Niemand zoals hij

of:

brochure niemand zoals hij een ontroerend sprankelend debuut literair talent kintsugi quote goud breuk

Lenen

Zoals voorgedragen op de mic of one’s own (19-03-2019) in Rotterdam.

zoals zovelen
dacht hij
dat hij liefde kreeg
dat hij het in zijn zak kon stoppen
om daar te bewaren
maar liefde was bewegelijk
sprong op en neer
en bleek niet van hem
maar altijd geleend van de ander

RGB

Kort verhaal ‘RGB’. Zoals gepubliceerd bij Revisor.nl.

Eindelijk mag ik de hoofdrolspeler op het doek schilderen. De achtergrond is af: het groen van de vijgenbomen en bramenstruiken, het blauw van de zee en de lucht. Ik doop mijn penseel in het rood, groen en blauw. Als je die kleuren in dezelfde hoeveelheid mengt, krijg je grijs. Ik zoek naar de ideale verhouding. Daarbij probeer ik me de kleur voor de geest te halen die ik zag als kind toen ik stiekem naar het circus fietste. Daar keek ik naar de grijze olifanten die in het gras van het park stonden. Het enige dat de dieren tegenhield was een gespannen touw om een paar palen. Ze vonden zichzelf niet groot of sterk genoeg om er doorheen te beuken. Ze lieten hun wereld eindigen waar het touw begon.

Het fascineerde me. Ik moest het beeld vastleggen. Het eerste schilderij dat ik maakte was van een olifant omringd door een touw. Een olifant in een park. Daarna ook op het strand, midden in de stad of waar dan ook, maar altijd dezelfde olifant.

Tot die ene dag tijdens onze vakantie. We hadden het er ’s ochtends al over gehad, Faraj en ik.

‘Het is toch vies of zo? Voor jou,’ had ik gezegd.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Een bloederige hamburger vind ik ook lekker.’

‘Vergelijk je me met een hamburger?’ Ik sloeg hem op zijn bovenbeen.

‘Wat ik bedoel te zeggen is; het hoort erbij. Het is gewoon meer van jou.’

‘Dat is waar,’ mompelde ik. En daar had ik het bij gelaten.

Later die dag gingen we naar de zee. We wilden afdalen. Onze voeten in het koude water laten bungelen. Even afkoelen.
Maar het pad klom. Het leek alleen gebruikt te worden door spinnen. We braken door hun webben.

Faraj liep voorop. Iedere stap leek hem dichterbij zijn doel te brengen. Het was net of hij een dwaallicht volgde dat alleen voor hem bestond.

‘Kunnen we niet beter teruglopen?’ vroeg ik. Alles om ons heen was groen; struiken, bomen. Met mijn hand gleed ik over mijn broekzak. Ik zocht naar mijn telefoon, maar die lag nog in de auto.

De auto die we een uur geleden achter hadden gelaten op het parkeerterrein. Of nou ja, iets wat op een uur leek. Mijn tijdsbesef was niet betrouwbaar meer, kwijtgeraakt. Net als mijn richtingsgevoel.

Er kwam een punt dat er meer blauw was dan groen. Meer zee en lucht. Een tint helderblauw die je in Nederland niet tegenkomt.

‘Wist je dat de lucht blauw is omdat het zonlicht verstrooit onderweg?’ vroeg ik aan Faraj. Ik wist dat het zijn lievelingskleur was.

‘Wat bedoel je met verstrooien, mijn kunstenares?’ Faraj draaide zich om en kneep in mijn zij.

‘Zoals ik het zeg; blauw bereikt je oog via een omweg. Dat komt door de korte golflengte.’

‘Dus blauw bestaat omdat het onderweg naar je oog verdwaalt?’

‘Zo zou je het kunnen zeggen.’

Hij glimlachte. ‘Zie je, de weg kwijtraken is goed. Als je verdwaalt, kun je tenminste iets vinden.’

‘Gebruik je daarom liever geen Google Maps?’

‘Na één keer rijden wil ik het uit mijn hoofd doen. En als het niet lukt, nou ja, van een omweg kun je leren. Of iets nieuws ontdekken.’

‘Ik kom het liefst direct waar ik wil zijn,’ zei ik, ‘en ik zou nu het liefst teruggaan.’

‘Waar is terug?’ Hij bleef vooruit kijken. Ik ging naast hem lopen. Het was laat in de middag, toch liet de zon onze huid gloeien.

Faraj pauzeerde bij een grote struik om aan de bladeren te ruiken. ‘Vijgen,’ zei hij. Toen ik beter keek, zag ik ze hangen: de groene vruchten die alleen in warme landen groeien. Hij kende dit klimaat beter dan ik. Hij plukte een blaadje en gaf het aan mij. Ik rook eraan. Vanaf dat moment herkende ik overal vijgenbomen. Ik zag ook bramenstruiken met gemene stekels. Af en toe klonk er een bijenkoor uit de bosjes.

Ik wilde de omgeving vastleggen. Ik stelde me voor hoe het penseel zou voelen tussen mijn vingers, hoe de verf zou ruiken als ik realiteit mengde met fantasie.

Met iedere stap had ik minder tegen Farajs ferme pas in te brengen. Het deed er niet toe. Ik liep. Natuurlijk wilde ik dwalen met hem, verdwijnen, alleen wij twee op de wereld.

Mijn pas kreeg een ander ritme. Een ritme dat onwennig voelde; het was niet de pas van het rennen naar de trein, niet van ongeduldig wachten in de rij bij de supermarkt en niet van de gretigheid waarmee ik dagelijks naar het koffieapparaat loop. Nee, dit was het ritme van lopen zonder doel. Het ritme van vijgenbomen, bramenstruiken en bijen.

Mijn nek zweette. Mijn voeten brandden.

De vijgengeur ging mijn neus in en vulde mijn longen met zuurstof. Het geluid van de bijen ging mijn oren in en zoemde door mijn lichaam. Ik was onderdeel van de omgeving en de omgeving was onderdeel van mij.

Ik was niet langer iemand met volgers op Instagram en vrienden op Facebook. Ik was niet mijn kledingsmaak. Ik was niet mijn stem, mijn haar, mijn huidskleur. Niet mijn opleiding, mijn werkervaring, mijn vaardigheden.

Ik was niet.

Ik liep.

Totdat we aan het einde van het pad waren. Bovenaan een diepe klif. Een klif die eindigde waar de zee begon.

‘Zoveel water…’

Faraj begon te lachen. ‘Dat zeker.’

‘Ik weet dat het grootste gedeelte van de wereld eruit bestaat, maar toch zie ik het bijna nooit.’

‘De stad beperkt je zicht.’ Faraj kwam achter me staan en sloeg zijn armen om me heen. Ik voelde zijn adem in mijn nek.

‘Ik denk dat je heel erg verdwaald kunt raken op zee.’

‘Ik ben verdwaald sinds ik jou ken,’ fluisterde hij in mijn oor.

Ik draaide me om, legde mijn hand in zijn nek en kuste hem.

We duwden onze lichamen tegen elkaar aan. We wilden zo dichtbij komen, dat er geen dichterbij meer was. Ik begon sneller te ademen. Probeerde ieder stukje van zijn huid aan te raken. We bewogen zoals we gedirigeerd werden door de omgeving.

Hij greep met zijn hand tussen mijn benen en wreef zachtjes.

‘Ik kan niet,’ mompelde ik. ‘Ik ben daar bezet.’ Ik gebruikte omslachtige woorden die de realiteit van mijn ongesteldheid moesten verzachten.

‘Ik denk dat het wel kan.’ Zijn hand kroop, groef en manoeuvreerde zich tot in mijn bikini. Met zijn andere hand pakte hij die van mij en bracht die naar het touwtje. Uit automatisme pakte ik het vast. Hij keek me afwachtend aan.

Vanochtend koos ik een zwarte bikini, want vlekken voorkomen was onmogelijk, maar ze onzichtbaar houden zou nog net lukken. Geen jurkje, want daarin zaten geen broekzakken om de kleurige verpakking van maandverband te verstoppen. En mijn tas moest een vakje hebben om dicht te ritsen, zodat mijn dagvoorraad tampons er niet uit kon vallen.

Andere vrouwen gaan ook zo te werk, dat wist ik zeker. We zijn menstruatieninja’s, ieder met een eigen set technieken om het rood onzichtbaar te houden. Levenslang geperfectioneerd, altijd hopend op gratie.

Maakte ik al die keuzes omdat ik het zelf wilde? Als ik geen menstruatieninja zou zijn, zou ik de vlekken in mijn ondergoed trots kunnen dragen; een teken van een gezond lichaam dat klaar is voor een nieuw begin. Ik zou mijn armen laten zwieren als ik naar het toilet loop met maandverband in mijn hand. Ik zou tampons in een mooi glaasje op mijn toilet zetten als traktatie voor iedere vrouw die op bezoek komt, zoals vroeger sigaretten op tafel kwamen.

Het blauwe touwtje wikkelde ik om mijn vinger. De kleinste beweging zou de tampon lostrekken. Ik was benieuwd wat er zou gebeuren als ik het bloed liet gaan. Zou het netjes op zijn plek blijven? Zou het langs mijn benen lopen? Zou het op de grond spetteren?

Ik realiseerde me hoe groot mijn wereld eigenlijk was en hoe klein die was geworden in mijn hoofd. Ik had er een touwtje omheen gespannen, of laten spannen.
Het blauw voor ons was kalm; het water kabbelde, de hemel leek gladgestreken. Ik deed een stap naar de diepte, trok de tampon los en gooide die met een flinke zwier in het blauw onder ons.

Daarna liet ik mijn broek zakken en duwde mijn billen tegen Faraj aan. Hij kleedde zich uit, hinkelde even toen hij op een been stond en sjorde mijn bikinibroekje opzij. Zijn penis baande een weg langs mijn billen en gleed naar binnen. Alles voelde zachter en warmer dan normaal. Ik hapte naar adem. Hij was hebberig, zijn heup maakte een ketsend geluid tegen mijn billen. Ik steunde met mijn handen op mijn bovenbenen, net boven mijn knieën, sloot mijn ogen en voelde alleen maar. Zonder tijdsbesef, zonder uiterlijk, zonder innerlijk verdwaalde ik in het niet-zijn.

Tot mijn zweterige voet uit mijn teenslipper gleed. Ik wankelde, probeerde weer in mijn slipper te stappen en zag hoe het bloed op mijn benen als een rivier met kleine vertakkingen de snelste weg naar het laagste punt zocht. Onderweg vermengde het rood met zonnebrand en vormde een lichtere kleur. Mijn benen waren het doek, het palet aan rood een kunstwerk.

Faraj stopte, pakte mijn bovenarmen, draaide me om, kuste me en zakte voor me op zijn knieën. Ik twijfelde, ik wist waar dit naartoe ging, en dacht aan hoe hij had gezegd dat hij van een bloederige hamburger hield. Zodra hij me zachtjes begon te likken, wist ik dat het goed was. Het bloed was niet eng, deed geen pijn, hield ons niet tegen, was er gewoon.

Ik synchroniseerde met zijn bewegingen. En ik kwam klaar.

Vanuit mijn ooghoek zag ik hem snelle handbewegingen maken, hij volgde en liet zich op de grond vallen.

Er zat bloed rondom zijn mond. Een donkerrode tint onder zijn neus, rode vlekken op zijn kin. Hij glimlachte toen hij mij zag kijken en likte zijn bovenlip af. Hij bromde tevreden.

Ik ging naast hem zitten.

De zon zakte langzaam. Het uitzicht werkte hypnotiserend. We staarden zwijgend. Ik vroeg me af of mensen uitzichten mooi vinden omdat ze de wereld zien, of juist omdat ze het einde van de wereld zien.

De lucht rondom de ondergaande zon veranderde van helderblauw naar rood.

‘De kleur rood verstrooit amper onderweg naar je oog,’ zei ik. ‘Dat zie je nu. Omdat de zon lager zakt, is de luchtlaag waar de zon doorheen moet dikker. Blauw redt dat niet vanwege de verstrooiing, maar rood komt er altijd doorheen. Daarom zijn mistlampen ook rood.’

Met mijn hand wreef ik over het bloed op mijn benen. Het was ingedikt en opgedroogd. Ik smeerde het uit, verstrooide het totdat er niets meer van te zien was, totdat er alleen nog een spatje op mijn enkel zat.

Ik keek ernaar. Liet het daar.

Het mocht er zijn. Niet alles hoeft te verdwalen.

Vandaag schilder ik geen touw om de olifant.

Ketting

(Turing gedichtenwedstrijd top 1000, 2019)
je zette mijn ketting
op mijn fiets
en ik kon weer vooruit
ik fietste langs huizen
waar binnen lichtjes branden
waar families samen waren
tot de ketting eraf viel
jouw oplossing
was slechts tijdelijk
buiten zag ik geen sterren
de lucht was zwart
morgen koop ik een betrouwbare fiets
Feedback Turing Gedichtenwedstrijd: Prozaïsch tafereel dat uitgekleed is tot het essentiële. Op het eind een voornemen, de clou, erg functioneel. In het duister licht de helpende hand op, maar tevergeefs. Gevangen in dit kleine gedicht waar geen woord te veel staat.

Getekend voor debuutroman!

debuutroman debuteren (bericht zoals gepubliceerd op readalicious.nl) Wow! Dinsdag heb ik een contract getekend bij Uitgeverij Ambo|Anthos voor mijn debuutroman. Een handtekening onder mijn droom! Ik ben super blij, trots en dankbaar dat ik deze droom mag gaan waarmaken. Wat ik heb gedaan om zover met mijn manuscript te komen wil ik graag met je delen. Want Samantha’s verhaal heeft me ook altijd geïnspireerd. Hieronder een overzicht met alle adviezen die ik niet en wél heb aangenomen.

Dingen die ik niet heb gedaan

Als ik aan mensen vertelde dat ik een boek schreef, gaven ze me adviezen. Dat je niet veertig uur kunt werken en een boek kunt schrijven. Dat ik beter geen vriendje kon hebben. Dat je alleen als BN’er kunt debuteren. Dat ik alles online moest zetten. Dat ik duizenden volgers op Instagram moest hebben. Dat ik moest uitgeven in eigen beheer. Dat ik een podcast moest maken. Dat ik een schrijfopleiding moest volgen. Dat ik een wedstrijd moest winnen. Dat ik naar alle literaire avonden in Amsterdam moest. En eigenlijk ook naar Amsterdam moest verhuizen. Dat zeven jaar aan mijn debuut moest werken. Dat heb ik dus niet gedaan.

Dingen die ik wel heb gedaan

Ondanks dat ik niet altijd luisterde, was alle hulp welkom. Schrijven is een eenzaam proces: jij, jezelf en de laptop. En jij, jezelf en de laptop zien na een tijdje de fouten niet meer. Een freelance redacteur las mijn werk, literaire tijdschriften gaven me advies en strenge proeflezers zoals Samantha en de Writing Ninja’s (schrijfcursus Rotterdam) gaven me feedback. Uiteindelijk heb ik één ding vooral gedaan: hard werken. In het begin schreef ik een paar uur in de week. Nu schrijf ik dagelijks. Niet veel, wel structureel. Ik begon aan een nieuw boek toen de eerste werd afgewezen. De afwijzingen, feedback en positieve aanmoedigen lijstte ik in (gouden lijstje!) en zette die in mijn vensterbank. Daarnaast schreef korte verhalen, gedichten en blogs. Ik verzamelde feedback, stuurde teksten naar literaire tijdschriften en deed mee aan wedstrijden. Ik ging op schrijfvakantie met Samantha, ging naar Camp Cushy en deed mee aan NaNoWriMo (met mijn eigen, lagere doel). Ik stond op open mic’s met mijn teksten, veranderde mijn proza naar Spoken Word en maakte een persoonlijke website om te laten zien dat ik bestond. Natuurlijk werd ik regelmatig afgewezen en hoe ik daarmee omging vertel ik in een eerder blog. Als ik naar een evenement ging probeerde ik aan de praat te raken met redacteuren. Dat was ongemakkelijk. Sowieso is met vreemde mensen praten moeilijk, vooral als je iets van ze wilt. Uiteindelijk verzamelde ik in vier jaar vijf kaartjes met e-mailadressen om de slushpile te omzeilen. En die ene bij de bushalte werd het.

En nu?

Ik heb vooral heel veel zin om te gaan herschrijven. Dat ga ik het komende jaar doen. Met hulp van de redacteur. Ik houd je op de hoogte!