Hebban Debuutprijs Shortlist

Wat een fantastisch nieuws! ‘Niemand zoals hij’ is genomineerd voor de Hebban Debuutprijs en staat op de shortlist. Samen met vier andere prachtige titels.

Bekijk hier het nieuwsbericht

Reacties van de lezersjury:

  • Niet alleen vlot en aangenaam om lezen, maar ook heerlijk beeldend en vol gevoel. Lucia kan zo goed de gedachten en gevoelens van haar hoofdpersonen overbrengen.
  • Een heel realistisch verhaal. Niet alleen omdat het een verhaal is dat zomaar waar zou kunnen zijn maar ook omwille van de personages. Heel tegengestelde personages; opa aan het eind van zijn leven, ziek, wat ouderwets met de nodige levenswijsheid, tegenover Renke voor wie het leven bij wijze van spreken nog moet beginnen en die helemaal thuis en mee is met de moderne snufjes van deze tijd.
  • De schrijfstijl is prachtig; ik heb veel zinnen gemarkeerd omdat ze zo mooi zijn, vooral opa Pieter heeft een aantal prachtige uitspraken en gedachten.

Slow cooking

(Turing gedichtenwedstrijd top-1000, 2020)

Het water is net iets te warm
Je gaat toch, je teen, je voet, je been
tot het water je schouders reikt

En terwijl je zit draai je de kraan open
Voeg je warm water toe
warmer, warmer

Op de rand staat shampoo, badschuim, dingen die je kent
en je hebt niet door
hoe heet het water is

het brandt, het brandt
maar dat wendt, dat wendt
je blijft gewoon zitten 

Vulkaan

(dit korte verhaal werd gepubliceerd bij Papierenhelden.nl)

Ik beklim deze vulkaan anders dan wie dan ook. Dat komt omdat ik weet wat het grootste gevaar is. Bij een vulkaaneruptie kunnen er zoveel zwaveldeeltjes de atmosfeer ingeblazen worden dat er geen zonlicht meer doorheen komt. Daarmee verandert de dag in de nacht en kan de temperatuur op aarde zodanig dalen, dat al het leven sterft.

De zon schijnt fel. Ik zie zwarte vulkanen, donkere kraters en soms een rood glooiende berg. Het maanachtige landschap knerpt onder mijn schoenen. Ik baan me een weg tussen de vijgen- en druivenstruiken die aan de voet van de vulkaan zijn geplant. Je zou het op het eerste oog niet zeggen, maar vulkanische grond is ontzettend vruchtbaar. De takken van de struiken strijken langs mijn kuiten en maken lichte krassen op mijn huid.

Het is niet voor het eerst dat ik deze vulkaan beklim. Aan de andere kant van de vulkaan ligt het meest bewandelde pad omhoog dat ik de vorige keer nam. Destijds dacht ik dat het de gemakkelijkste route zou zijn. Er is veel veranderd in die paar jaar sinds ik student was en naar de top wilde om een selfie te maken. Ik zou via Instagram laten zien dat ik zo’n klim kon maken, en dan zou iedereen weten dat ik een sportieve doorzetter was én heel happy single mijn bucketlistitems afstreepte. Ik hoopte op de bevestiging van hartjes en brandende vuurtjes.

Ik kijk voor me. Mijn blik is kort, slechts een paar centimeters vooruit, naar de volgende steen. Die kan wegslippen en mijn enkel verzwikken. Iedere stap hier betekent gevaar. Falen is op eigen risico.

Als ik buiten adem raak, stop ik even. De druivenstruiken heb ik inmiddels achter me gelaten, hierboven groeit alleen nog wat mos op losliggende stenen. Honderden gele vlinders lijken de berg af te rollen. Ze vliegen langs me heen, tussen mijn benen door en sommige strijken voor een milliseconde over mijn huid.

Vanaf het hoofdpad nam ik vorige keer een olifantenpaadje. Het liep steil omhoog en zag er gevaarlijk uit, maar ik zou sneller boven zijn. Dat het pad bestond, betekende dat het vaker belopen werd. Eenmaal daar zag ik ze meteen. Ze zaten in de schaduw van de enige struik op deze hoogte. De takken waren dor en droog. Hun Spaanse g klonk hard en onprettig. Er lagen blikjes bier op de grond. Ze dronken niet omdat ze het lekker vonden, maar om dronken te zijn —  ook dat zag ik meteen. Ik lachte vriendelijk en liep de drie mannen voorbij, mijn blik op de top gericht.

Toen ik voetstappen achter me hoorde, legde ik mijn hand op de broekzak waarin mijn portemonnee zat, beschermde wat ik toen dacht dat het waardevolst was.

Ik hield mijn adem in. Handen grepen mijn heupen. Van schrik schreeuwde ik iets in het Nederlands. Er kwamen meer handen bij. Ik trapte naar achteren en raakte niets. Gelach. Een stoot in mijn maag. Ik klapte dubbel en zakte door mijn knieën. Ze tilden me weer omhoog. Ik moest doen wat zij wilden. Ik zag de grote handen op mijn lichaam, vreemde handen die gingen over alles wat me een vrouw maakte. Ik bleef wrikken, bewegen, worstelen, totdat ik me los rukte en zo hard als ik kon de berg afrende. Achter me klonk hun gejoel. De zwaartekracht hielp, ze liet me vallen, ik hoefde alleen maar de spieren in mijn hiel te gebruiken om me af te zetten. Ik vloog de vulkaan af. Mijn lippen braken, mijn mond was droog en mijn piepende adem sneed door mijn keel. Ik weet niet meer hoelang het duurde om beneden te komen, maar ik rende tot ik terug was op het hoofdpad en volgde dat naar de voet van de vulkaan. Tussen de druiven- en vijgenstruiken zakte ik door mijn benen. Naar de top keek ik niet meer.

De diepte duizelt me. Als ik achter me kijk, lijkt mijn route steiler dan ik kan beklimmen, maar ik sta er toch. Ik weet niet of ik de top ga halen, maar ik moet het in ieder geval proberen.

Er landt een vlinder op mijn schouder. Die sluit zijn vleugels en rust uit. Ik houd halt, omdat ik het dier niet weg wil jagen. Ik doe dit alleen, maar ben niet de enige op deze plek.

Eenmaal terug in Nederland vroegen mijn huisgenoten of ik het leuk had gehad. Ik liet een foto zien van de omgeving. Daarna aten we samen aan tafel, zoals we vaker deden, en ik probeerde zo normaal mogelijk te doen om aan mezelf te bewijzen dat er niets aan de hand was. Toch kreeg ik mijn bord niet leeggegeten, alsof die stoot nog in mijn maag zat. Na het avondeten kroop ik onder mijn winterdekbed, ook al was het augustus.

Het duurde een maand totdat ik het mijn moeder vertelde. Daarna vertelde ik het aan mijn huisgenoten. Ze reageerden allemaal anders, maar toch voornamelijk hetzelfde.

Was je daar alleen?

Komt het door je blonde haar?

Of misschien doordat je vriendelijk keek?

Met hun woorden overtuigden ze zichzelf dat dit hen niet zou overkomen: ze hoefden alleen maar aan hun voorwaarden te voldoen. Het duiveltje op mijn schouder had deze vragen ook gesteld: als ik een reden vond, dan kon ik geloven dat de wereld geen gevaarlijke plek was, maar een logische plek van oorzaak en gevolg. Niet een plek waar dit zomaar kon gebeuren — en meer.

Onderweg naar de universiteit zag ik gevaar in ieder paar grote handen, iedere blik op straat. Ik was vaker een slachtoffer dan dat ik mezelf was. Ik kwam alleen buiten in een grijze joggingbroek en een XL-hoodie. Ik deed mijn haar strak in een staart en trok de capuchon over mijn hoofd. Zo kon niemand zien dat er een vrouw in mij verborgen zat.

Ik sta stil. Dit moet de hoogte zijn waarop het gebeurde, aan de andere kant van de vulkaan, op het olifantenpad. Ik sluit mijn ogen en voel hoe het vulkanische as mijn knieën schaaft na mijn val. Ik zie hoe de knoopjes van mijn shirt plots open zijn, terwijl ze toch echt dicht hadden gezeten. Grote handen, harde Spaanse g’s. Lichaamsdelen worden tegen me aangeduwd. Mijn handen maken geen schijn van kans tegenover die van hen. Er gaat ruw spijkergoed tegen mijn wang, er wordt aan mijn hoofd getrokken om het in de juiste positie te zetten, zodat het functioneler voor hen is.

Door de eruptie worden er zoveel zwaveldeeltjes de atmosfeer in geblazen, dat er geen zonlicht meer doorheen gaat.

Ik ben nu verder gekomen dan de vorige keer. Tot nu toe gaat alles onwaarschijnlijk goed. Soms zakt mijn voet weg in een lading zwart grind en dat maakt een happend geluid, alsof de as mijn voet wil opeten.

Een vriendin zei dat kickboksen me goed zou doen. En goed, ik ging. Daarbij hield ik mijn hoodie aan. Ik beeldde me in dat ik na de les zelfverzekerd zou zijn, maar ik verstijfde bij het zien van iedere paar dreigende handschoenen. Daarna lag ik dagenlang in mijn hoodie onder mijn winterdekbed. Yoga probeerde ik ook. ‘Strengthens your muscles. Connects body and mind,’ vertelde de digitale begeleider. Bij mij versterkte er niets, behalve het idee dat mijn lichaam ver, ver weg was, achtergebleven op die vulkaan. Daarom belde ik een halfjaar later eens naar slachtofferhulp, maar na het doen van mijn verhaal bleef ik alleen achter met de telefoon in mijn handen en de details vers in mijn geheugen.

Dit keer, deze wandeling, volg ik geen paden. Ik haal moed uit het idee dat ik de vulkaan op mijn manier beklim. En zo ga ik vandaag de top halen, één voet voor de andere.

‘Zou je dit nou wel doen?’ vroeg mijn moeder toen ik haar vertelde dat ik de vulkaan opnieuw wilde beklimmen.

‘Het moet,’ zei ik. ‘Afmaken waaraan ik begonnen ben.’

‘Alleen?’ Ze keek me aan alsof ik gek was.

‘Alleen.’ Ik trok de capuchon van mijn hoofd en haalde het strakke elastiek los dat mijn haar bij elkaar hield. Ik had er genoeg van. Dit was ik niet.

Omdat mijn moeder me wilde helpen kochten we ter voorbereiding goede wandelschoenen. Grove halfhoge bruine met diepe profielen in de zolen. De schoenen druisten in tegen het ideaalbeeld dat ik had van de klim, maar het leek nog niet zo’n slecht idee: alleen de schoenen dragen.

Dit is het engste dat ik ooit gedaan heb, maar de vlinders vliegen met me mee. Een druppel zweet glijdt over mijn lichaam naar beneden: vanuit mijn nek, over mijn sleutelbeen, tussen mijn borsten door, linksaf bij mijn navel, over mijn lies, mijn been op. Ik ruik mezelf. Mijn huid ruikt naar zoetig zweet en herinnert me eraan hoe dichtbij mijn lichaam is. Het zonlicht raakt mijn huid op plekken waar het nooit eerder is gekomen. Mijn borsten zwiepen bij iedere stap, eronder zweet het een beetje. Voor het eerst in mijn leven voel ik de wind door mijn schaamhaar. Het driehoekige bosje beschermt alles wat eronder verborgen zit.

En ik zie iemand. Daar, op de top van de vulkaan.

Hij schrikt. Kijkt weg. Kijkt toch terug.

Ik begrijp het. Dit is de kracht van mijn lichaam. Mijn lichaam brengt me naar de top. Niemand pakt het dit keer van me af. Nog een paar stappen, links, rechts en iedere keer vooruit. Dat zijn de bewegingen die ik kies. Het laatste stuk ga ik sneller lopen, raken mijn kuiten meer verzuurd, raak ik dieper buiten adem en spannen mijn bovenbenen zich strakker aan.

Er zijn hierboven geen vlinders meer. Ik doe het alleen.

De man verdwijnt uit het zicht. Hij daalt af. De top is van mij. Ik zet de laatste stappen. Dan sta ik stil. Vanaf dit hoogste punt zie ik het hoofdpad, de man daalt erop af. Met mijn ogen traceer ik de weg die ik zelf heb afgelegd; het is veel steiler, en bij sommige stukken vraag ik me af hoe het me gelukt is. Ik lach met harde stoten, alsof mijn opluchting eruit moet. Uit mijn schoen haal ik mijn telefoon. De top van de vulkaan is hoog en de wind blaast mijn telefoon bijna uit mijn handen. Ik zet de camera op selfiemodus en steek mijn arm uit. De zon schijnt zo fel dat ik mijn ogen dicht moet knijpen.

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Genomineerd Hebban Debuutprijs

‘Niemand zoals hij’ is genomineerd voor de Hebban Debuutprijs 2020 en staat op de longlist tussen veel mooie andere titels. Bekijk de volledige lijst op Hebban.

Biblion-recensie ‘Niemand zoals hij’

Lucia van den Brink (1991) debuteert met een uiterst gevoelige en zeer leesbare roman, waarin voor jong en oud veel waardevols staat. Dat zij Japans studeerde is goed te merken en maakt dit realistische verhaal alleen maar geloofwaardiger. Ze is een auteur van wie, naast dit ontroerende werk, nog veel moois verwacht mag worden.

Renke, die het moeilijk heeft, gaat naar haar opa Pieter. In Japan. Dat komt omdat ze zomaar pakketjes ontvangt met stukjes uit een dagboek, gevouwen kraanvogels en zo nog wat meer. Opa Pieter heeft de spierziekte ALS en is naar het land van de reizende zon gereisd om karateles te gaan volgen bij een oude vriend. Langzaamaan krijgt na verloop van tijd somberheid de overhand bij hem. De jonge Renke wordt werkloos en besluit, door de steeds indringendere dagboekfragmenten, dat ze haar opa echt wil leren kennen, nu het nog kan. Zij heeft alle tijd van de wereld, maar hij nog slechts een beperkte tijd van leven. Dat gaat botsen en de op social media en haar blog zo drukke Renke leert de belangrijke les dat niet alles in het leven te delen is.

Alice Verheij voor Biblion

DEBUTEREN #3: Laatste loodjes en boekpresentatie

Deze blog verscheen eerder op Readalicious.

 De maanden voor mijn debuut waren erg leuk. Het meeste werk was gedaan. Het was een tijd waarin ik wist dat er straks vanalles kón gebeuren. Ik ga je proberen te vertellen hoe het er allemaal uitzag totaan mijn debuut bij Uitgeverij Ambo|Anthos.

De laatste feedbackrondes

In de laatste rondes maakte ik niets nieuws. De feedbackrondes zoemen in van grote feedback, tot steeds kleiner. Zo gaf een persklaarmaker feedback op mijn werk. De aanwijzingen waren divers, met suggesties van hoe dingen anders konden en verbeteringen die sowieso nodig waren. Ik voegde ook één nieuwe alinea toe ter verduidelijking van de motivatie van een personage, maar verder werd er niets nieuws geschreven (behalve ideeën voor een tweede boek). Daarna kwam de correctieronde, een strenge ronde waarin werd gekeken naar hoe alles op de pagina stond (afbrekingen, pagina-verdelingen en in mijn geval de opmaak van post-its), waarin de laatste spelfouten eruit werden gehaald en nog een paar suggesties werden gedaan.

En toen was het ineens af en kon ik niet meer terug. Na meerdere nachtmerries over spelfouten was het tijd om het te laten gaan. Het boek was niet meer van mij. Het was nu ook van de uitgeverij, van de drukker en toen al bijna van de lezer.

Boekpresentatie

Veel mensen in mijn omgeving dachten dat een boekpresentatie een chique feestje was met champagne en galajurken. In de praktijk valt dat gelukkig reuze mee. Het is meer een soort van verjaardagsfeestje met familie en vrienden en dat in een boekhandel. Mijn boekpresentatie was extra leuk omdat je origami kon vouwen en sushi kon eten. Het was uiteindelijk onwijs druk en… heel Readalicious was er ook bij (zie foto)!

De boekpresentatie vond plaats bij Van Gennep. De boekhandel in Rotterdam versierden we van top tot teen met kraanvogels. Verder sprak mijn redacteur mooie woorden, over hoe ik een paar jaar geleden werd ‘geacquireerd’ bij een bushalte na de Hebban Awards, en dat redacteuren normaal gesproken niet per se acquireren bij bushaltes. Dat ik een korte e-mail had gestuurd met mijn voorstel en in de bijlage een volledig eerste versie en hoe dat uiteindelijk was veranderd in iets heel moois.

Daarna vertelde ik zelf over hoe ik jarenlang had vastgehouden aan kleine dingen. Toen ik veertien was schreef een docent ‘je bent een schrijver!’ op een opstel, en het zijn dat soort kleine dingen die me hielpen door te blijven gaan. De docent Nederlands nodigde ik ook uit voor de boekpresentatie, net als alle vrienden, collega’s, karateka, schrijfninja’s die me hadden gesteund. Ik las daarna een mooi hoofdstuk voor en heb daarna zo’n vijftig boeken gesigneerd.

De eerste reacties: zoals ik al zei, is het boek nu niet meer alleen van mij. Er ontstond een hashtag #niemandzoalshij. Bloggers roemde de cover en de eerste recensies stroomden al binnen na een dag, allemaal superpositief. Ik ben erg dankbaar en blij dat mijn werk al met zoveel plezier wordt gelezen.

Veronique’s boekenhoekje:

Het verhaal is klein, maar tegelijkertijd zo groot. Soms had ik tranen in mijn ogen.

Hebban recensent:

Een mooi boek over doorzettingsvermogen, liefde, hoop, verdriet en rouwverwerking. Het is geen boek wat je even leest. Bij sommige gebeurtenissen leg je het weg om het allemaal even te overdenken. Dat doen goede boeken met je. Boek is absoluut een aanrader.

Alexs books and socks:

Enorm mooi geschreven, enorm eerlijk maar respectvol opgetekend wat ALS met een lichaam en mens doet. Dit is een sterk debuut, een boek dat ik zeker zal herlezen net zoals ik toekomstig werk van deze auteur met evenveel enthousiasme zal lezen. 4/5 voor deze ‘niemand zoals hij’.

Als je ‘m ook gaat lezen, veel leesplezier!

Hoe met het leven om te gaan

(Turing) Gedichtenwedstrijd top-1000

koop een kat
neem dagelijks maximaal acht paracetamol
drink op zaterdag
en soms op vrijdag en donderdag

lees nooit boeken die anderen aanraden
ga niet mee in adviezen van mannen die je niet kent en
als dat toch gebeurt, roep dan ‘ik ken u niet’
en ren naar de dichtstbijzijnde volwassene

slik maximaal eens per maand xtc
drink genoeg water
of neem eens vijf minuten rust
geloof in mindfulness maar doe er niks mee

heb seks met een oudere man
als dat niet lukt probeer een jongere
hijg daarna uit 
huil even als dat moet

zet een lachende foto van jezelf online
kijk hoe leuk mensen dat vinden
maar weet dat jij het het leukst vond 
toen je nog lachte

lees NU.nl zodat je iets van de wereld af lijkt te weten
en sluit het scherm zonder problemen
als je toch online bent koop dan iets
maar let op want bijwerkingen staan nooit bij advertenties

zoek naar vliegtickets en ga op vakantie 
waar je doet alsof alles zo beter is
maar ontken
ontken dat de waterdruk van de douche nergens zo goed is als thuis

eet bij thuiskomst een zak chips leeg en ga dan sporten
doe dat volgende week andersom
Stop hulpwerkwoorden met algoritmes in kruiswoordpuzzels
en vergeet de oplossingen

en neem een baan
neem in godsnaam een baan
zodat je je zorgen kan maken 
om andermans problemen

‘Niemand zoals hij’ ligt in de winkels!

‘Niemand zoals hij’ is de debuutroman van Lucia van den Brink. Als Renke haar baan verliest, reist ze opa achterna in een ultieme poging hem nog te leren kennen. Haar opa is naar Japan vertrokken nadat hij gediagnosticeerd was met de spierziekte ALS. Waar Renke alle tijd van de wereld heeft, weet hij dat zijn dagen geteld zijn.

Merel in de ruimte

(zoals gepubliceerd in Tijdschrift Ei)

‘Jerome, ik heb je hulp nodig,’ zei Merel toen ik opnam. Ik kende haar al zo’n tien jaar, maar bellen deed ze me nooit. Er klonk een nood in haar stem die ik niet begreep. ‘Ik kan niet naar het station,’ zei ze.

‘Waarom niet?’

‘Ze… Schimmen.’ Ze was moeilijk verstaanbaar. ‘Kun je naar The Irish Pub komen? Die in de straat ervoor?’ Ze hing op zonder op mijn antwoord te wachten.

Ik deed vlug wat gel in mijn haar en stapte op de fiets. Misschien was ze beroofd? Voelde ze zich niet lekker? Wilde ze me wat vertellen?

Ik stapte de pub binnen. Merel zat aan de korte kant van de L-vormige bar. Ze leek kleiner dan in mijn herinnering. Haar donkere haar had ze in een knotje gestopt en ze droeg een geruite blouse waarvan ze het bovenste knoopje had opengelaten. Ik gaf haar drie zoenen en ging naast haar zitten. Het was zo krap dat onze schouders elkaar even raakten. Met een schokkerige beweging probeerde Merel de afstand tussen ons te herstellen. Haar linkerschouder vond steun tegen de muur.

‘Je was de enige die ik hier kende, Jerome. Bedankt dat je wilde komen.’

Ik glimlachte. Ik was Merel een paar jaar uit het oog verloren. Er waren perioden geweest dat we veel deelden. Dat ik alles wist van haar en zij van mij. Dezelfde studie, dezelfde bus naar huis en een baan bij hetzelfde bedrijf.

Van alles gedeeld, maar nooit een bed.

Tegenwoordig deelden we alleen nog foto’s met elkaar, en al onze vrienden, via Instagram.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik.

‘Ik moet weten of…’ Haar ogen schoten heen en weer alsof ze in de lucht naar iets zocht, de juiste woorden, de volgorde van haar verhaal, zoiets.

‘Neem je tijd,’ zei ik.

‘Misschien is dat precies wat ik nodig heb.’ Merel stak haar hand omhoog en bestelde twee biertjes.

‘Wist je dat ik altijd tegen je heb opgekeken?’ hoorde ik mezelf bekennen. Ik wilde haar groter maken. ‘Je hebt zoveel bereikt, terwijl ik, gewoon…’

Ze snoof.

‘Nee, echt. Het is zo opvallend, dat het iets wegheeft van geluk.’

‘Ik werk er hard voor, maar ik wil juist meer zijn zoals jij,’ zei ze. ‘Ontspannen. Alsof niets je kan raken.’

Ze nam een slok van haar drankje op een manier die ik bij haar vond passen. Gulzig.

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Als ik aan geluk denk, dan denk ik aan jou. Jij bent de gelukkigste persoon die ik ken. Ik bedoel: jij hebt alles wat ik verwacht had op mijn dertigste te hebben. Je hebt iets gedaan met je studie, een baan als leidinggevende en een koophuis.’

Ze keek alsof ik haar een klap in het gezicht gaf.

‘De mensen die het ongelukkigst zijn, zijn het best in doen alsof ze gelukkig zijn,’ zei ze langzaam.

Daar moest ik even over nadenken. Het paste niet bij het beeld dat ik van haar had. Ik staarde in mijn bierglas. ‘Ben je ongelukkig?’ vroeg ik.

‘Het is inmiddels beter,’ zei ze. ‘Vlak voordat wij elkaar leerden kennen, gebeurden er goede dingen. Ik leerde ruimte in te nemen. Ik begon klein en daagde mezelf uit om onderweg naar college niet opzij te stappen, maar de ruimte tussen de mensen te spotten en er doorheen te manoeuvreren. Op de fiets nam ik vaker voorrang, in een werkgroep stak ik soms mijn hand op. Het deed de markering vervagen.’

Ze leek meer te willen zeggen dan ze vertelde. Of ik begreep haar niet.

‘Iedereen neemt toch een plek in de wereld in,’ zei ik. ‘Jij zeker. Kijk wat je bereikt hebt. Ik liet juist alles aan me voorbijgaan. En nu hebben onze leeftijdsgenoten een carrière en loop ik drie burn-outs achter.’ Ik lachte.

‘Misschien had je dat allemaal niet nodig,’ zei ze. ‘Dat ik alles aangreep, was niet positief. Ik zocht iets om voor te leven. Om die markering van me af te krijgen.’

‘Dat is de tweede keer dat je dat zegt: markering…’

Mijn vinger vond een groef in het hout van de bar. De inkeping voelde gevaarlijk ruw toen ik erover wreef, maar was niet scherp genoeg om me open te halen.

‘Dat is waar ik het met je over wil hebben.’ Haar schouder kwam los van de muur en ze botste tegen me aan. Ditmaal bleef ze plakken als een magneet die naar de juiste kant was gedraaid. Ze voelde aangenaam warm.

‘Heb je ooit iets ongewoons aan me gemerkt?’ vroeg ze.

Ik volgde haar mond terwijl ze sprak. Er vormde steeds een klein luchtgaatje tussen haar lippen, waardoor ik een stukje van haar voortanden kon zien.

‘Ongewoon…’ Het vreemdste dat ik met haar had meegemaakt, moest deze ontmoeting zijn. Of nee, die keer dat ik na een borrel de laatste bus had gemist en in het bed van haar huisgenoot sliep die niet thuis was. Ik kwam haar tegen in de gang en droeg alleen een boxershort. Zij complimenteerde me over mijn gespierde borstkas, prikte er uitdagend in en wenste me lachend welterusten.

Die avond betoverde ze me. Buiten was ze mooi, maar binnen haar muren was ze mooier. Ik had nooit geweten dat muren zo’n effect konden hebben.

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.

‘Ik ben een kind van de schimmen. Zij hebben de markering aan me gegeven. Daarna werd het een oneindige cirkel.’

Om eerlijk te zijn, klonk het alsof ze drugs had gebruikt. Niet dat ik daar tegen was, maar ik wilde het toch zeker weten. Ik keek naar haar kaken. Geen opvallend gedrag daar. Haar pupillen waren ook normaal.

‘Het waren schimmen van mensen,’ zei ze. ‘Schimmen die zich tegoed deden aan mij.’

Omdat ik haar niet begreep, probeerde ik iets aan haar houding af te lezen. Ik zag dat Merel ineengedoken op de barkruk zat. Dat moest de reden zijn dat ze kleiner leek dan ze was.

‘Ik wilde vragen of je aan me kon zien dat…’ Ze slikte. ‘Dat ik vroeger… Nou ja, ik dacht dat de schimmen het recht hadden me zo te behandelen. Daardoor nam ik een bepaalde houding aan. Een houding waarmee ik geen ruimte innam. Kan je je voorstellen hoe dat voelt?’

Ik dacht aan die keer dat ik verstoppertje speelde en dat niemand me vond. ‘Ik denk het wel.’

‘Fijn, Jerome.’ Ze perste haar lippen tot een flauwe glimlach. ‘De schimmen markeerden me als kind. En daarna maakte ik geen schijn van kans in de buitenwereld: de plek waar de echte monsters rondliepen.’

De kleine bar benauwde me plots. Haar verhaal was te groot voor deze oppervlakte. ‘Wat deden de schimmen dan?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Maakt het uit?’

Merel hoefde haar verhaal niet tot in detail kwijt. Zoveel was duidelijk. Ze wilde door naar een punt op de horizon; de reden dat ik hier was. Met mijn vinger wreef ik hard over de groef in het hout.

‘Ze raakten me aan. Ze raakten me kwaad aan. En daarna waren er meerderen.’ Haar staccato-manier van praten sneed door me heen, omdat ik wist dat ze zo sprak om emoties te ontwijken. ‘Verschillende mensen. Los van elkaar, maar net alsof ze het hadden afgesproken. Ze zagen de markering. En vandaag…’ Ze slikte even. ‘Vandaag zag ik ze lopen bij het station. De schimmen.’

‘Je ouders?’

‘De schimmen.’

‘Sorry. Zeiden ze iets?’

‘Ik raakte in paniek en in plaats van de trein naar huis te nemen, belde ik jou. Ik hoopte dat je hier nog zou wonen.’

‘Dus zij hebben ons samengebracht,’ zei ik. Dat wrong een beetje.

Merel staarde naar haar handen. ‘Ik wist niet wat ik moest doen.’

‘God, Merel. Het spijt me van net. Van wat ik zei. Maar al ben je niet de gelukkigste persoon die ik ken, dan ben je wel de sterkste.’

Ze hief haar hoofd. Rechtte haar rug. Het was zo opvallend dat de barman opkeek van zijn afwaswater. Ik zag hem naar het gaatje tussen haar lippen kijken.

‘Toen ik jou eenmaal leerde kennen, was ik een persoon die ruimte innam. Tenminste, dat hoop ik. Dat ik niet meer een kind van de schimmen was. Geen gemarkeerde prooi.’

Ik legde mijn hand op die van haar en kneep er zachtjes in.

‘Heb je het ooit gezien?’ vroeg ze.

‘Wat?’

‘Die markering. Ik moet weten of het ooit weg kan gaan of dat je zoiets voor altijd bij je draagt.’ Ze praatte zo vlug dat ik hoorde dat ze bijna buiten adem raakte.

‘Ik heb het nooit gezien, nee.’ Ik had geen idee hoe hetgeen waarover ze sprak eruit zag. Zou de markering zichtbaar zijn op haar lichaam of was het iets als uitstraling?

Ik hoopte dat ik haar gaf wat ze zocht. Mijn nek voelde zweterig.

De donkere stem van Johnny Cash zong over The ring of fire. Voorin de bar werd geproost door mannen in blauwe overhemden. I went down, down, down and the flames went higher.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Wat zeg je op verhalen waarvan je zou willen dat ze niet bestaan?

We bestelden een tweede biertje. Ons gesprek werd luchtiger. Ze sprak over alledaagse dingen, in plaats van over schimmen en markeringen. Daarbij bewoog ze vrij, praatte met haar handen en wiebelde op haar barkruk.

Om twaalf uur barstte het in de bar in een luid gezang uit. De barman kreeg een slinger om zijn nek en ging op een tafel staan. Na de derde ‘hoera’ riep hij luid dat hij iedereen ging trakteren op een rondje.

Hij keek naar Merel.

Maar Merel keek naar mij.

‘Ik wil niet naar het station,’ zei ze. ‘Kan ik bij jou…’

‘Ik heb een extra matras.’ En ik nam haar mee naar mijn muren. Daar deed ze iets onverwachts. Ze duwde haar lichaam tegen me aan. Eiste aanraking op. Zoende me vol overgave. Ze deed haar kleren uit, hielp me bij die van mij en trok me mee naar mijn bed, waar ze woest met haar armen maaide en zo alle kussens van het bed afduwde, alsof ze in de weg lagen.

Haar gretigheid naar aanraking maakte mij ook hebberig. Ik zette mijn handen in haar billen, kneep er zo hard mogelijk in, en ik wilde haar slaan, mijn hand op haar billen voelen ketsen.

Ze verstijfde.

Ik stopte en keek haar aan; had ik iets verkeerd gedaan?

‘Ik wil alleen goed aangeraakt worden,’ zei ze. ‘Zodat het in balans komt.’

Even was ik bang dat ik het verpest had en begon haar daarom zo lief mogelijk te strelen. Het duurde even, maar ze ontspande beetje bij beetje. Ik kuste haar zachtjes, liet mijn tong over haar lichaam glijden, en hoopte dat dat was wat ze bedoelde. Ze spreidde haar armen en leek te verzinken in haar eigen wereld. Op mijn zachte matras zag ze er gelukkig uit. Ik hield van mooie vrouwen zoals zij; ze zijn een afspiegeling van een ideale wereld. Dankzij haar schoonheid kon ik mezelf voor de gek houden dat de wereld een mooie plek was.

Ze bleef niet slapen, zei ze. Ze zou de nachttrein nemen.

‘En de schimmen dan?’ vroeg ik.

Ze haalde haar schouders op. Blijkbaar was er iets veranderd aan de situatie. Het probleem leek te zijn verdwenen.

‘Zal ik met je meelopen?’

‘Het is goed zo.’

Ik dacht dat ik haar begreep, maar was haar alweer kwijtgeraakt.

Toen ze in de hal haar laarzen aandeed, bedacht ik dat dit het moment was waarop mannen in films iets zeiden. Iets wat de relatie tussen de twee hoofdrolspelers voorgoed zou veranderen. Er schoten honderden opties door mijn hoofd, maar het verhaal werd niet logisch. Ons plot liep op niets uit. We waren niet voor elkaar bestemd. Zij wist wat ze wilde.

Ze knoopte haar omslagjas dicht. Daarmee voegde ze een extra laag tussen haar en mij toe. Haar borst zag nog rood van de inspanning. Van haar blouse had ze nu twee knoopjes opengelaten en net onder de kraag zag ik iets wits. Iets wits dat me eerder niet was opgevallen.

Een litteken – nee, een markering.

Het stak af tegen haar rode huid.

Het was alsof het er altijd al had gezeten.

Toen ik het antwoord op haar vraag had, stapte ze uit mijn muren.

De ruimte in.

Veteran

You are a war zone
windows were broken
doors kicked in
bombs landed

and now
when glass falls
doors slammed shut
firework explodes

You react as if you are at war again and you
barricade the windows
put extra locks on the door
hide in the basement

while you should just
break the glass
slam the the door
have a blast

As published on literaryyard.com