Ketting

(Turing gedichtenwedstrijd top 1000, 2019)
je zette mijn ketting
op mijn fiets
en ik kon weer vooruit
ik fietste langs huizen
waar binnen lichtjes branden
waar families samen waren
tot de ketting eraf viel
jouw oplossing
was slechts tijdelijk
buiten zag ik geen sterren
de lucht was zwart
morgen koop ik een betrouwbare fiets
Feedback Turing Gedichtenwedstrijd: Prozaïsch tafereel dat uitgekleed is tot het essentiële. Op het eind een voornemen, de clou, erg functioneel. In het duister licht de helpende hand op, maar tevergeefs. Gevangen in dit kleine gedicht waar geen woord te veel staat.

Pavlov

Turing gedichtenwedstrijd top 1000, 2018

Je zorgde ervoor
dat ik je hoorde
wanneer je huilde

en als je de fles pakte
liet je hem rinkelend
tegen die van gisteren komen

zodat je zeker wist
dat ik hoorde
dat het mijn schuld was

we herhaalden het iedere dag
alsof jij Pavlov was
en ik de hond

maar ik was geen hond
reageerde niet zoals jij wilde
en leerde dat jij

een jongen was die ‘wolf’ riep
en een wolf
nooit luistert


Feedback Turinggedichtenwedstrijd: Bedankt voor je inzending.Van alle gedichten die ik heb gelezen voor de Turingprijs dit jaar hakte de laatste strofe van dit gedicht er het hardste in. Het is zo’n perfecte beeldspraak: je draait de (enigszins veelgebruikte) metafoor van Pavlov en zijn hond om naar die van een wolf, en vervolgens verbind je daar twee logische maar genadeloze consequenties aan.Alles daarvoor is trouwens ook goed – dit is zo’n gedicht waar geen enkel woord van niet op z’n plek staat.

Dit is misschien wat inside informatie, maar ik heb dit gedicht voorgedragen voor de top 100, en ik vind het erg jammer dat hij er niet in is gekomen – ik had het je erg gegund. Volgens mij houdt de jury vooral van gedichten die qua taal wat “zoekender” zijn en die misschien een minder duidelijke conclusie hebben.Maar ik vind het juist goed dat dit gedicht zo duidelijk concludeert. Het betekent voor mij namelijk dat de verteller de kracht heeft gevonden om terug te schreeuwen.P.S. Ik moest elke keer bij het lezen van dit gedicht aan dit nummer denken: https://www.youtube.com/watch?v=3ozRC0iSe40

Kerstversiering

Zoals gepubliceerd bij Extaze.

Ik herinner me
jouw gezicht
nog goed

van toen je me
zo hard duwde
dat we allebei schrokken
van het gekraak
dat mijn schedel maakte
toen ik de muur raakte

en ik
ik was zo sterk
dat ik de blauwe plekken
altijd liet verdwijnen
en de wonden
liet genezen

maar hoe ik ook
probeerde
de herinneringen
bleven als littekens
die niemand zag
en die verborgen
onder een laag kleding
mijn gedachten
ontsieren

maar jou siert het
net als de slinger
die om de kerstboom zat
dat jij het je niet
herinnert
lieve mama

In 2017 kreeg ik 33 afwijzingen. Zo ging ik ermee om.

Gepubliceerd op Readalicious.nl.

Dagenlang refresh je je inbox als een verliefde puber die wacht op dat ene berichtje. Je hebt je al voorgesteld hoe je gaat juichen wanneer je die schrijfwedstrijd wint of als je favoriete uitgeverij je manuscript wil publiceren. Als de mail eenmaal binnenkomt, begint je hart sneller te kloppen en… blijkt het een afwijzing. Hoe ga je daar mee om?

Allereerst weten we allemaal: het hoort erbij. En iedereen volgt hierin een eigen pad. Er bestaat een site met ‘beroemde afwijzingen’: litrejections (Wat?! Anne Frank en C.S. Lewis óók?). En je zult zelf ook genoeg verhalen kennen. Zo heeft J.K. Rowling lang gezocht naar een uitgever en ook Stephen King vertelt in zijn boek ‘On writing’ dat hij de eerste jaren alleen maar afwijzingen ontving. Die hing hij op in zijn slaapkamer ter motivatie.

Dat je je eerste schrijfjaren afgewezen wordt, is niet zo gek, leerde ik uit het filmpje ‘On being creative’ (bekijk het op YouTube). Iedereen heeft namelijk last van ‘the creative gap’. Dat is het gat dat je moet overbruggen tussen je eigen smaak (die verdomde goed is) en het creëren van iets dat voldoet aan die hoge standaard. Daar moet iedereen doorheen. Daarom wil ik je wat tips geven, want je gaat sowieso afgewezen worden. En afgewezen worden is een kunst.

1. Gedeelde smart is halve smart

Samantha en ik hebben ons manuscript op hetzelfde moment naar een uitgever gestuurd. Het helpt om spannende dingen samen te doen en daarin een buddy te hebben.

Zoek daarom schrijfmaatjes. Dat kan online, bij websites zoals Literairwerk.nlSchrijvenOnline of The Writers Community. Of zoek buddy’s buiten de deur en doe bijvoorbeeld mee aan een schrijfgroep. Zelf schrijf ik al meer dan een jaar bij The Writers Guide in Rotterdam als schrijfninja (eigenlijk eten we vooral hapjes, lachen veel en praten te lang over boeken), maar er zijn ook een hoop andere schrijfscholen.

Overigens is Samantha’s weg naar publicatie erg inspirerend (lees het hier). Haar eerste manuscript werd afgewezen (net als die van mij), maar daar leerde ze zoveel van dat ze een ijzersterk tweede manuscript schreef dat binnenkort wordt uitgegeven bij Uitgeverij Boekerij.

2. Verzamel afwijzingen

Laat afwijzingen je motiveren. Dit artikel inspireerde me om 100 afwijzingen per jaar te verzamelen. Hoe meer je oefent met verhalen schrijven, des te beter je werk wordt. En hoe meer mensen jouw werk lezen, des te meer kansen je krijgt. Natuurlijk is het schrijven van een groot manuscript heel anders dan het schrijven van korte verhalen, maar beiden zijn wat mij betreft goed om schrijfmeters te maken.

Ik heb geprobeerd in 2017 zoveel mogelijk afwijzingen te verzamelen. Mijn eindstand na een jaar proberen: 33 afwijzingen. Dat was iedere keer even slikken, maar:

  • Mijn eerste manuscript is bij drie uitgeverijen uit de slushpile gevist en gelezen door een ‘echte’ redacteur, waarna ik van twee persoonlijke feedback ontving. Dat was onwijs waardevol en bemoedigend (en tegelijkertijd natuurlijk teleurstellend). Bij één grote uitgeverij ligt hij nog steeds op de stapel to-do’s van een drukke redacteur. Ik wacht dus al acht maanden.
  • Door mee te doen aan wedstrijden heb ik iedere keer geoefend met schrijven in opdracht. Ik heb nul keer iets gewonnen, maar ik heb wel ergens een tweede ronde behaald (de rest weet ik pas in januari). Hoe dan ook heb ik ervaring opgedaan, die niemand me meer afneemt.
  • Van drie literaire tijdschriften heb ik feedback en aanmoedigingen ontvangen om door te gaan. Eén online tijdschrift heeft een verhaal van me gepubliceerd.
  • Ik heb twee keer voorgedragen op een podium.

Ter vergelijking: het jaar daarvoor ontving ik zestien afwijzingen, twee aanmoedigingen en een publicatie. Het jaar ervoor deed ik mee aan één wedstrijd en werd genomineerd tot een van de beste tien. Dat bevestigt mijn idee: hoe vaker je meedoet, des te meer kansen je creëert voor jezelf.

3. Geloof in jezelf (maar blijf kritisch)

Het is belangrijk om een motivatie in jezelf te vinden om te blijven schrijven. Dit is voor iedereen anders. Als je nog op zoek bent naar je creatieve zelfvertrouwen, kijk dan eens deze video: How to build your creative confidence van David Kelley.

Wat voor mij helpt is om in mijn achterhoofd te houden dat schrijven van mij is. Niemand en niets kan het afpakken. Het is een veilige plek om mezelf te zijn. De verhalen die ik schrijf zijn van mij en dat blijven ze altijd. Er is geen afwijzing die daar iets aan verandert.

Om afwijzingen vervolgens om te zetten in motivatie is het ontzettend belangrijk om in jezelf te geloven. Laat een ‘nee’ in je mailbox betekenen dat je je potentie nog niet bereikt hebt. Maar: wees geen snob! Iedereen heeft weleens de neiging zichzelf te overschatten, of de schuld bij de stomme beoordelaar te leggen die ‘het gewoon niet snapt’. Je mag ook trots zijn op je verhaal, maar kritisch blijven is een vaardigheid die je voor schrijven nodig hebt. Als je al denkt dat je alles kan, ben je geen goede criticus voor je werk.

4. Je hebt de tijd

Schrijvers pieken op hun 44ste, vertelt recent onderzoek. Zo zie je maar, niemand schrijft direct een meesterwerk. Iets moois maken kost tijd en toewijding. Neem die tijd. Geef jezelf de kans om te groeien. Ook als dat betekent dat je jarenlang schrijft voor jezelf.

Nou, hops, aan het werk! Die afwijzingen komen niet vanzelf in je inbox. ?

Tegenstanders

Zoals gepubliceerd bij De Optimist.

Om me heen klinkt gejoel. De tribunes zitten vol mensen die ik niet ken.Van mijn coach mag ik niet denken dat ik ga verliezen, ook al moet ik het opnemen tegen een meervoudig wereldkampioen terwijl ik zelf al jarenlang meervoudig twintigste ben. De winnaarsmentaliteit laat geen ruimte voor nuance.

De kampioen staat soms aan mijn zijde: als we uitkomen voor Nederland, dezelfde logo’s dragen en samen een team vormen. Maar vandaag is het iedere Nederlander voor zich.

Als ik mensen vertel wat voor sport ik beoefen, zeggen ze: ‘Dat had ik helemaal niet van je verwacht.’ Alsof ik niet in hun hokje pas. In mijn eigen hokje past het prima. Daar mogen alle vrouwen per definitie op een vechtsport.

Ik trek mijn band recht. Vandaag hoef ik de wereld niet te veranderen. Alleen mijn positie in dit kleine stukje, in dit karate-ecosysteem. Mijn handen trillen. Ik loop zo hard warm dat ik niet meer kan denken. Ik zorg dat mijn spieren alle zuurstof opeisen en er niets meer over is voor mijn hersenen. Dan denk ik minder en lijkt het leven meer.

Ik spring op en neer, rek mijn spieren. Mijn mond voelt droog, mijn hoofd pulseert. Ik heb slecht geslapen, de nacht wilde me wakker houden.

‘Gaat het?’ vraagt een poulegenootje. Haar lange benen gaan in mijn nadeel werken.

‘Ja. Ik heb gewoon te weinig gedronken,’ zeg ik.

‘Wil je wat?’ Ze steekt haar flesje naar me uit.

Ik schud mijn hoofd en zet een stap naar voren om aan te geven dat ons gesprek voorbij is. Ik voer wat eenvoudige technieken op de mat uit om warm te blijven. Efficiënt wachten is een belangrijk onderdeel van de wedstrijd. Je moet het uren kunnen, voor een paar goede minuten op de mat.

‘De poule “senioren dames achttien plus” begint op mat drie,’ wordt omgeroepen. Dit is het moment.

Net als dat ene moment. Als ik toen vijf minuten later van huis zou zijn weggefietst, zou ik dan ook op dit NK karate hebben gestaan?

Mijn coach wenkt me. Ik haal diep adem en loop achter hem aan. Zijn pas is zelfverzekerder dan die van mij.

Op het scherm naast het blauw-rode veld staan de eerste twee namen van de poule. De eerste ronde ben ik blauw. Vanaf het moment dat ik begon met deze sport, wilde ik alleenheerser zijn over het blauw. Ik kocht blauwe handschoenen, droeg zeker drie jaar een blauwe band en werd weer baas over mijn blauwe plekken. Ik besliste over hun bestaan op mijn lichaam; niet iemand anders.

Destijds hoopte ik dat ik het niet alleen hoefde te doen. Dat iemand me zou helpen.

Ik wachtte op iets.

En niets kwam.

Zonder woorden kwam er geen hulp. Ik besloot aangifte te doen. De politieagente en ik praatten over het jurkje dat ik droeg. En over hoe ik alleen fietste terwijl het donker was. Normaal gesproken vertel ik graag over mijn nachtelijke avonturen. Ik vind leven terwijl de wereld slaapt een heerlijk gevoel.

Net als de sterren: hoe donkerder de nacht, des te feller ze schijnen.
In het gesprek op het bureau wilde ik het niet over mezelf hebben. Ik vond dat we het over iets anders moesten hebben, dat we moesten bedenken hoe wij, samen, de nacht een betere plek konden maken. En zodat ik, als resultaat van onze inspanningen, niet meer bang hoefde te zijn voor de komst van het donker. Dat de nacht weer van mij zou worden.

Na de aangifte hoorde ik nooit meer iets. Behalve de stem van de politieagente die nog jarenlang door mijn hoofd spookte: fietste je alléén?
Vooral ’s nachts.

Op het scherm verschijnt mijn naam. Ik maak de knoop van mijn bruine band los en doe de blauwe wedstrijdband om. Blauw betekent vandaag dat ik rechts op de mat moet staan. Soms sta ik ook links.

Ik buig naar mijn tegenstander. Buig naar de hoofdjury. Hier ben ik dan. Ik moet mijn kin omhoog houden. Mijn schouders breed maken. Denken dat ik de beste ben. Nee, ik ben de beste.

Focus.

Loop.

Buig.

Wanneer we op de zachte mat stappen, zie ik hoe gespannen mijn tegenstander is. Alsof ook zij niet kan ontsnappen aan haar gedachten. Op deze manier gaat ze haar lange benen niet optimaal benutten. Haar houding vertelt me dat ik kan winnen.

Ik geniet van mijn tijd op de mat. Denk aan niets.

En win.

Als ik de mat afloop krijg ik een klap op mijn schouder. ‘Gefeliciteerd!’ zegt mijn coach. Ik knik, maar juich nog niet te vroeg. Ik bereid me voor op wat komen gaat: de tweede wedstrijd.

Die gaat gelijk op.

‘Hantai,’ roept de hoofdjury in het Japans. Drie vlaggen gaan tegelijk de lucht in. De bewegende stof klinkt hetzelfde als het oplaten van een vlieger in de wind. De hoofdjury steekt een blauwe vlag omhoog. De vlaggen die de juryleden aan de weerszijden van de mat opsteken zijn beiden rood.

Eén keer blauw. Twee keer rood.

Rood wint.

Ik loop de mat af en bijt op mijn tanden.

Nog één ronde. Tegen de wereldkampioen.

Maar ik ben niet bang. Daar heb ik zelf voor gezorgd.

Ik haal me hun gezichten voor de geest. Hoe ze lachten. Hoe hun grote groep me klein maakte. Ze zijn ver weg, maar ik vecht nog steeds tegen ze.

Als niemand me redt, red ik mezelf wel.

Ik krijg ze stuk voor stuk. Alle denkbeeldige tegenstanders. Ik sla ze op hun solaris plexus, haal ze onderuit met een voetveeg, breek hun nek met een afmakende schreeuw.

Maar mijn tegenstander versnelt beter, beweegt lichter en raakt harder. Ze beweegt vrij, draagt geen extra gewicht mee op haar schouders en heeft minder last van de denkbeeldige tegenstanders.

Als ik de mat afstap, wordt het even blauw voor mijn ogen.

Huilen doe ik alleen op EK’s en WK’s.

En als ik verlies.

Goede nacht.

Museum

ze willen
een museum oprichten
voor al mijn afwijzingen
maar ik denk dat ik afsla